Lees de inleiding van Alle Dagen Schuld

Laat ik het maar meteen zeggen: armoede is een lastig begrip. Of je iemand arm noemt, hangt af van wat je onder arm verstaat, en daarover zijn, zo heb ik gemerkt, heel wat discussies te voeren. Die discussies hebben vaak een morele ondertoon en laten vooral veel zien over de manier waarop de sprekers oordelen over de medemens en de maatschappij.

Je kunt armoede ook objectief definiëren, namelijk door een inkomensgrens te hanteren. Dit is wat onderzoekers en beleidsmakers doorgaans doen. Het meest recente Armoedebericht van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek, van november 2006, becijfert dat ruim tien procent van de Nederlandse huishoudens onder de armoedegrens leeft: deze huishoudens hebben een inkomen van maximaal 105 procent van de norm die geldt voor algemene bijstand en - voor vijfenzestigplussers - de AOW. Een groot deel van de mensen in deze groep ontvangt een bijstandsuitkering. Ongeveer een derde van alle arme huishoudens zit langdurig in de armoede: vier jaar of (veel) langer Verder blijkt uit het onderzoek dat vooral eenoudergezinnen met minderjarige kinderen een hoog risico op armoede hebben.. Daarnaast wordt uit allerlei rapporten duidelijk dat onder de mensen met de laagste inkomens de financiële problemen aan het toenemen zijn. De laatste jaren is ook door media en door politici veel aandacht besteed aan het alsmaar groeiende aantal mensen dat met ernstige schulden te kampen heeft. Instellingen voor schuldhulpverlening kunnen de toestroom van cliënten soms nauwelijks aan. Ik was benieuwd naar de verhalen achter de cijfers in de krant, naar de personen over wie de gegevens gaan. Via via kwam ik met deze mensen in contact. Ik luisterde naar hun ervaringen, leerde hun dagelijks leven kennen. Daarnaast ging ik op bezoek bij instanties waarmee zij vanwege hun inkomenssituatie te maken hebben en bij hulpverleners die hen terzijde staan. Zo keek ik in Lelystad mee bij een bureau voor schuldhulpverlening, woonde ik er op de rechtbank schuldsaneringszaken bij en ging ik met een bewindvoerder mee op huisbezoek. In een aantal Friese dorpjes sprak ik met ouderen die slechts met veel moeite de eindjes nog aan elkaar wisten te knopen. In Amsterdam leerde ik allochtone, voornamelijk Marokkaanse, gezinnen kennen die het onder uiterst schamele omstandigheden moesten zien te rooien. In Almelo kwam ik in aanraking met het Boodschappenproject, een vrijwilligersproject dat levensmiddelen brengt naar mensen in financiële nood. Ook maakte ik er kennis met - autochtone - families waarin sociale en economische achterstand van generatie op generatie wordt doorgegeven. In deze categorie bevinden zich de mensen die al bij hun geboorte kansarm zijn; het zijn de mensen die achterblijven als het, zoals nu, goed gaat met de werkgelegenheid, en overblijven in de bestanden van de uitkeringsinstanties. Hun kinderen gaan meestal een leven met even weinig perspectief tegemoet. Ik raakte zo gefascineerd door deze zogeheten erfelijke armoede dat ik besloot er mjjn onderzoek op te concentreren. Een logische, volgende stap was om het hele boek te situeren op de locatie waar ik dit onderwerp onderzocht. De aanvankelijke keuze voor Almelo berustte voor een groot deel op toeval. Ik had net zo goed op een andere plek kunnen belanden. Dat ik er, nadat het toeval zich had voltrokken, voor koos me daadwerkelijk op Almelo te richten, komt vooral door de gastvrijheid die ik er ontmoette en de plezierige omstandigheden waaronder ik er mijn werk kon doen. Toch is Almelo, een middelgrote stad in een middelgrote gemeente van ruim 72000 inwoners, in dit boek vooral een decor. Zelfs het feit dat Almelo al jarenlang voorkomt in toplijstjes van armste steden en wijken, doet niet echt ter zake. De verhalen die ik er heb opgetekend hadden zich, als variaties op hetzelfde thema, op talloze andere plaatsen in Nederland kunnen afspelen. De meeste 'armen' over wie ik hier schrijf heb ik zo'n anderhalf jaar gevolgd. Ik ben hen uiterst dankbaar voor de openhartige manier waarop ze mij in hun leven hebben toegelaten. Om redenen van privacy heb ik hun andere namen gegeven dan ze in werkelijkheid hebben. Ook de namen van de hulpverleners van Aveleijn zijn, op hun eigen uitdrukkelijk verzoek, gefingeerd. De personen die in dit boek aan het woord komen zijn niet de enigen die ik heb gesproken. Vele anderen - 'ervaringsdeskundigen', hulpverleners en beleidsmakers - hebben geholpen bij het bepalen van mijn koers of het leggen van contacten en hebben als klankbord gediend voor mijn bevindingen. Alle mensen die, op voor- of achtergrond, hebben bijgedragen aan dit boek, wil ik daar graag en zeer hartelijk voor danken. Mirjam Pool Amsterdam, oktober 2005

Gebruikerslogin

Alle Dagen Schuld - cover
koop dit boek